The Art Of Living Belgium

 

 

 

 

 

 

 

michelin sterren

The art of living had een alleraardigste ontmoeting met – zoals wij hem graag willen noemen – ‘Monsieur Michelin Benelux’. In een Eindhovens établissement hadden we een exclusief gesprek met Paul van Craenenbroeck, hoofdredacteur en –inspecteur van de Michelingids ‘Benelux’ en al 23 jaar verbonden aan het Franse merk. We spraken natuurlijk vooral over lekker eten, hadden het over de hype en franje rondom de gastronomie en zochten naar vergelijkingen tussen Belgische en Nederlandse sterren.

Over Michelin en het Nederlandse sterrendom

Mooie zaak niet altijd de antichambre van een goed restaurant 

De Guide Michelin

Twee eeuwwisselingen terug is het zo ongeveer begonnen. Rond 1900 startten de gebroeders Michelin in het Franse Clermont-Ferrand hun beroemde bandenfabriek. En dat ook het juiste marketinggevoel bij de Michelins in de genen zat, blijkt uit hun slimme aanpak. Want om banden te verkopen is het zaak dat auto’s vooral veel kilometers maken. En dat viel, zeker in die prille tijd van het automobilisme, niet mee. Want de techniek was op z’n minst gezegd ‘nogal fragiel’. Dus brachten de gebroeders al snel een gids uit met daarin vermeld de garages langs de verschillende Franse routes en een lijst van adressen van waaruit kon worden getelegrafeerd voor een noodzakelijke dépannage. Vanaf 1920 begon het toerisme op gang te komen, zij het nog wat aarzelend in het begin. De auto’s werden beter, de reisafstanden groter en Michelin werd actief met de bewegwijzering langs de Franse Routes Nationales en de kleinere D-wegen. De routeborden werden gemaakt van lavasteen uit de directe omgeving van de Michelinfabriek in de Auvergne. Op veel plaatsen staan ze er nog steeds. Ook de wegnummers en de routebeschrijvingen werden door Michelin verzorgd. De gele Michelinkaarten zijn inmiddels even onlosmakelijk met Frankrijk verbonden als de tulpen met Nederland. De volgende logische ontwikkeling voor Michelin was de vervaardiging van de hotelgids en, omdat een Fransman altijd tijd maakt voor een goed maal, werden, ongeveer vanaf 1930, ook de betere restaurants in de buurt van de hotels en langs de doorgaande wegen vermeld. Kregen de hotels een classificatie met huisjes (van 1 tot 5 in het zwart en, indien heel bijzonder, in het rood), de restaurants werden bedeeld met bestekjes (ook weer van 1 tot 5). Deze kwalificatie doelde overigens meer op de mate van aangenaam vertoeven dan op de kwaliteit van de keuken. Tenzij die keuken een omweg waard is. In dat geval wordt er, na een zorgvuldige selectie, met sterren geclassificeerd, tot een maximum van 3. Sterren zeggen dus alles over het culinaire gehalte, bestekjes in principe niet.

 Sterren zeggen dus alles over het culinaire gehalte, bestekjes in principe niet.

 Michelininspecteurs: lange opleiding en ervaring

Ook in de Benelux is de Guide Michelin inmiddels een begrip geworden. Al langere tijd in België en Luxemburg en inmiddels ook in ons eigen land. Op de vraag hoeveel Michelininspecteurs in de Benelux actief zijn, doet Paul van Craenenbroeck er het stilzwijgen toe. De mystiek rondom deze inspecties lijkt zo onderhand onverbrekelijk tot de stijl van het huis te horen. Na wat langer aandringen komen we te weten dat elke inspecteur zo’n 7 à 8 bezoeken per dag aflegt, waarvan ook de beoordelingen van hotels deel uitmaken. Na een maaltijd maakt een Michelininspecteur zich altijd bekend, maar niet voordat hij zijn lunch of diner heeft afgerekend! Was de culinaire ervaring ‘interessant’ dan wordt een collega getipt en al bij al wordt elk potentieel restaurant gemiddeld zo’n 4 tot 5 keer per jaar bezocht voordat de ervaringen worden gedeeld en een eventuele toekenning van een (extra) ster aan de orde is. Bij Jonnie Boer van De Librije in Zwolle is Michelin zeker 20 keer geweest vooraleer die 3e ster erbij kwam. Paul van Craenenbroeck: “En als wij 80% tevreden zijn, ga er dan maar vanuit dat de gemiddelde gast daar 120% content is.” We vroegen Van Craenenbroeck ook hoe hij en zijn team aan nieuwe, mogelijk interessante adressen komen. “Hebben we ergens gegeten dan vragen we de eigenaar meestal ook welke adressen in de omgeving ‘populair’ zijn. We worden ook voortdurend geïnformeerd door de verschillende hotelscholen. Onze rode gidsen bevatten ook beoordelingsformulieren en daarvan komen er elk jaar zo’n 5000 binnen. Tenslotte ontvangen we jaarlijks nog eens 1500 tot 2000 lezersbrieven. Al bij al zijn er voor ons team voortdurend voldoende handreikingen èn aanleidingen om nieuwe inspectieroutes uit te zetten.” Aldus Paul van Craenenbroeck. Zo’n 7 maanden per jaar wordt er rondgereisd, de overige maanden zijn voor de uitwerking van de notities, overleg met collega’s en de redactie van de Guide Michelin. Een Michelininspecteur heeft per definitie een Hogere Hotelschool-opleiding genoten, bijvoorbeeld in Lausanne, Namen, Koksijde, Rotterdam of Maastricht. Daarbij dient hij minstens een zestal jaren eigen ervaring te hebben in de horeca, als kok of manager en verder doorloopt hij nog een interne Michelinopleiding die 2 jaar duurt. Ze gaan dus niet over één nacht ijs daar in Clermont-Ferrand.

 Nederland-België

De vraag brandt al het hele gesprek op onze lippen. Dus gooien we het er maar uit: “Hoe ervaart u als Belg de verschillen in eetcultuur met ons Nederlanders?” Paul van Craenenbroeck is er onverwacht openhartig over: “Weet u, Brussel had al vanaf 1933, in de kinderjaren van de Guide Michelin, maar liefst vier 3-sterrenrestaurants. Het gerenommeerde ‘Comme Chez Soi’ is - buiten Frankrijk - nog altijd het restaurant dat het langst 3 Michelinsterren voert. Het is op dit moment zelfs ons oudste 3-sterren restaurant! Pas rond 1950 begint in Nederland de culinaire bewustwording enigszins op gang te komen. De alliance-restaurants maken daarna hun opwachting. En Nederland zit met name de laatste 10 jaren op culinair gebied flink in de lift. Er zijn heel duidelijke verschillen met jullie zuiderburen. Zonder pretentieus te willen zijn moet ik toch zeggen dat wij Belgen een ‘ingeboren’ smaakgevoel hebben. Belgische meesterkoks zijn vaak van bekende, ‘gevestigde’ families, de sterren zijn veelal in 2 of meerdere generaties verkregen, van vader op zoon. De Nederlandse chef is veel meer selfmade en daardoor ook vaak vernieuwender dan zijn of haar Belgische collega. Overigens ging hier een lange periode aan vooraf waarin veel werd gekopieerd. Het is ook wel zo dat wat er hier op het bord komt vaak ook nogal gekunsteld is t.o.v. de culinaire prestaties van de Franse en Belgische keuken. En in tegenstelling tot de Belgische familiebedrijven, zijn de Nederlandse Michelinsterren vaak in één generatie verkregen en dat mag een prestatie van jewelste worden genoemd! Inmiddels hebben Nederlandse topkoks de periode van culinaire frivoliteiten achter zich gelaten en is men gekomen tot de essentie van alles wat met de echte culinaire beleving te maken heeft: smaak, smaak en nog eens smaak! Overigens denk ik dat, behalve de techniek van het koken (t.o.v. de ingeboren intuïtie van de Belgen op dit vlak), de Nederlandse chef beter is in de marketing van zijn zaak.” Paul van Craenenbroeck wil zijn metier ook best wel relativeren en dat siert hem: “Allez, we hebben het hier alsmaar over de eredivisie van het culinaire presteren. Wij kennen ook heel veel goede koks die op een relatief bescheiden schaal - en veel meer opererend in de anonimiteit – tot grote hoogten komen. Wat ik ermee wil zeggen is, dat je ook kampioen kunt zijn in een kleinere divisie!”

 Nederlander wordt ‘losser’

Ook Nederland is dus inmiddels op culinair gebied tot een goed niveau gegroeid, zij het dat het de nodige decennia heeft geduurd. Met name de Valkenburgse familie Stevens (hotel Juliana) heeft hierin een belangrijke rol gespeeld. Veel Nederlandse cuisiniers zoals Robert Kranenborg en Toine Hermsen hebben er in de keuken gestaan en werden later bekend en erkend tot ver over onze landsgrenzen. Ook het Amstel hotel is een voorbeeld van een echte kraamkamer voor Nederlands culinair talent. En dan is er natuurlijk De Swaen in Oisterwijk dat door Cas Spijkers tot een begrip werd gemaakt. Onder meer Gerard Wollerich, Nico Boreas en Johan van Groeninge (Avant-garde Van Groeninge) vonden in hem hun leermeester. Hij was het ook die via zijn tv-programma’s de interesse voor de gastronomie in Nederland sterk heeft doen toenemen. Toch zijn we nog wel weer een generatie verder voordat de Nederlander - net als de Belg - ook op culinair gebied wat losser, relaxter, makkelijker, bourgondischer en minder-op-decenten wordt. Want rond het middaguur zitten in Knokke de Belgen steevast in het restaurant - al is het maar voor een pannetje mosselen - terwijl wij in Scheveningen dan veelal met onze boterhammetjes in het zand zitten! En wanneer een Belg met 100 euro op zak een menuutje van 50 euro op de kaart ziet staan, denkt-ie: “OK, dan kan er dus nog een mooie fles wijn bij van 50 euro!” Een Nederlander is wellicht eerder geneigd om in dat geval te kiezen voor een minder spannend huiswijntje waardoor hij meer euro’s in de knip houdt. Niet voor niets zeggen Chinese restaurateurs wel eens: ‘Het zijn de Néderlanders die (een menu) van achteren naar voren lezen…: eerst de prijs en dan de beschrijving!”

 Frietkot

Eerlijk is eerlijk: het gastronomisch genieten, de lol van een avontuurlijke culinaire belevenis zit bij de Belg dieper geworteld. Zonder te willen generaliseren overigens en mèt de toevoeging dat er al veel is veranderd. Nog een conclusie: de Belg is ook niet te porren voor een culinair ‘rookgordijn’ want die gaat áltijd voor echte smaak. En dus is het niet verwonderlijk dat de chef van het Brusselse 3-sterrenrestaurant ‘Comme Chez Soi’ na een voetbalwedstrijd even een mooi frietje haalt bij zijn favoriete kot naast het Anderlecht stadion! Anders dan veel Nederlandse collega’s, komt een Belgische topkok ook zonder franje tot grote hoogte. Of, zoals Paul van Craenenbroeck het zo mooi zegt: ‘Een mooie zaak is niet per definitie de antichambre van een goed restaurant!”